Fietsdiploma → Printen → Oefenkaarten
Oefenkaarten
Alle vijftien oefeningen op kaartformaat, met snijlijnen.
Schaal op 100%, marges op ‘geen’. Zwart-wit werkt net zo goed. Terug naar alle printbaren.
Oefenkaarten, vel 1 van 4 — A4 staand, vier kaarten
Slakkenrace
- Leg een start en een finish neer, ongeveer tien meter uit elkaar.
- Rijd samen naar de finish. Wie er als laatste is zonder voet aan de grond, wint.
- Doe drie of vier rondes. Ga zelf ook een keer af.
Wat er misgaat
- Het kind gaat slingeren om langzaam te blijven. Dat mag. Sturen is precies wat hier getraind wordt.
- Direct een voet aan de grond bij elke poging. Maak de afstand korter, vijf meter is genoeg om mee te beginnen.
- Winnen wordt belangrijker dan langzaam rijden. Doe zelf mee, dan blijft het een spel.
Stoppen op de streep
- Trek een dikke streep over het pad.
- Het kind rijdt erop af en stopt met het voorwiel op de lijn.
- Lukt dat, laat hem dan iets harder aanrijden.
- Trek daarna een tweede streep verderop, zodat er twee stops achter elkaar komen.
Wat er misgaat
- Het kind schiet elke keer over de lijn. Laat hem langzamer aanrijden en eerder beginnen met knijpen.
- Het wiel blokkeert en glijdt door. Dan is er te laat en te hard geknepen; zelfde oplossing.
- Het kind zet zijn voet neer zodra hij stilstaat. Dat is geen fout, daar gaat deze oefening niet over.
Achtjes
- Zet de pionnen ver uit elkaar, ongeveer vijf grote stappen.
- Het kind rijdt een acht: om de ene pion heen, dan om de andere.
- Na een paar geslaagde rondes zet je de pionnen een stap dichter bij elkaar.
- Stop bij de afstand die net lukt.
Wat er misgaat
- Meteen te krap begonnen. Zet ze verder uit elkaar dan je denkt dat nodig is.
- Het kind rijdt alleen rondjes één kant op. Wijs de tweede bocht aan; daar zit de oefening.
- Eén kant gaat veel slechter dan de andere. Dat is normaal en gaat vanzelf weg.
Nauwe doorgang
- Trek twee lijnen van een paar meter lang, ongeveer een meter uit elkaar.
- Het kind rijdt ertussendoor zonder de lijnen te raken.
- Na elke geslaagde ronde teken je één lijn een handbreedte naar binnen.
- Stop bij de breedte die net lukt, en eindig met een ronde die zeker lukt.
Wat er misgaat
- Het kind kijkt naar de lijnen en stuurt er dan naartoe. Laat hem naar het eind van de doorgang kijken.
- De doorgang wordt te snel te smal. Eén handbreedte per keer is genoeg.
- Het krijt is niet te zien op donkere klinkers. Leg dan twee jassen of takken neer.
Oefenkaarten, vel 2 van 4 — A4 staand, vier kaarten
Rechte lijn
- Zoek een lange rechte lijn op de grond.
- Het kind rijdt er zo dicht mogelijk langs.
- Tel hardop hoeveel meter het lukt en probeer dat aantal te verbeteren.
Wat er misgaat
- Het kind kijkt naar zijn voorwiel en gaat juist slingeren. Laat hem vooruit kijken naar het eind van de lijn.
- Vlak bij de rand rijden lukt niet. Begin op een halve meter afstand en kom later dichterbij.
Het vingerspel
- Stap één, stilstaand. Het kind zit op de fiets, jij staat erachter. Steek vingers op, hij kijkt om en roept het aantal.
- Stap twee, lopend. Hij loopt met de fiets aan de hand, jij loopt erachter. Zelfde spel.
- Stap drie, rijdend. Jij rijdt achter hem. Hij is een punt kwijt als hij gaat slingeren bij het omkijken.
- Ga terug een stap zodra het slingeren begint.
Wat er misgaat
- Het kind stuurt mee met zijn hoofd. Dat is precies waar deze oefening over gaat. Terug naar stilstand.
- Hij raadt in plaats van te kijken. Ga afwisselend links en rechts staan.
- Het lukt weken- of maandenlang niet. Dat hoort erbij. Dit is de zwaarste oefening van het programma.
Valse commando's
- Het kind rijdt rondjes, jij staat stil en roept.
- Begin met een paar echte stops, zodat het commando zit.
- Meng er daarna woorden doorheen die erop lijken: stok, stoep, sok.
- Zeg hardop wat er goed ging, alleen bij de juiste stops.
Wat er misgaat
- Het kind stopt bij elk woord. Doe meer echte stops en bouw de valse woorden langzamer op.
- Het kind rijdt uit onzekerheid heel langzaam. Zelfde oplossing: meer echte stops ertussen.
- Het wordt een lachspel en niemand stopt nog. Sluit af met drie serieuze stops.
Stoplichtspel
- Bedenk vooraf welke drie woorden je onderweg echt gebruikt. Meestal zijn dat wachten, gaan en langzaam.
- Het kind rijdt, jij roept de woorden in willekeurige volgorde.
- Gebruik niet ‘rood’ en ‘groen’. Die woorden geef je onderweg nooit.
Wat er misgaat
- Je valt terug op rood en groen. Dan oefent hij een commando dat je buiten niet gebruikt.
- Je gebruikt de ene keer ‘wacht’ en de andere keer ‘stop’. Kies drie woorden en houd je eraan.
Oefenkaarten, vel 3 van 4 — A4 staand, vier kaarten
High five
- Ga naast het pad staan met één hand uitgestoken.
- Het kind rijdt langs en slaat in, zonder te stoppen.
- Doe daarna hetzelfde met de andere hand.
- Gaan beide handen goed, laat hem dan zelf kiezen welke hand hij gebruikt.
Wat er misgaat
- Het kind stuurt naar je toe. Houd je hand lager en dichter bij zijn lijn.
- Hij stopt om je hand te kunnen slaan. Loop een paar keer mee, dan wordt het vanzelf in het voorbijgaan.
- De tweede hand lukt niet. Laat die een paar weken liggen en pak hem later weer op.
Wasknijper
- Zet de pionnen ongeveer tien meter uit elkaar en klem de knijper op de eerste.
- Het kind rijdt langs, pakt de knijper, rijdt door en klemt hem op de tweede pion.
- Oefen het pakken eerst stilstaand als het rijdend niet lukt.
- Doe daarna dezelfde ronde met de andere hand.
Wat er misgaat
- Het kind stopt om te pakken. Prima in het begin; laat het stoppen er later uit gaan.
- De knijper zit te vast. Klem hem losjes, alleen met het puntje.
- Hij gaat slingeren zodra één hand los is. Terug naar oefening 5, rechte lijn.
Kan het?
- Spreek af dat hij het bij elk kruispunt hardop vraagt.
- Jij antwoordt met je vaste commando uit oefening 8.
- Jij beslist, altijd. Ook als een automobilist gebaart dat jullie mogen.
Wat er misgaat
- Hij vergeet te vragen. Stel de vraag dan zelf hardop, elke keer, tot hij hem overneemt.
- Hij vraagt het en rijdt tegelijk door. Dan is het een woordje geworden, geen vraag; laat hem wachten op je antwoord.
- Een automobilist wuift jullie door en het kind gaat rijden. Dit is precies het moment waar de oefening voor bedoeld is.
Papa doet het fout
- Kondig het spel vooraf aan, zodat hij weet dat jij nu de fouten maakt.
- Rijd door rood, vergeet richting aan te geven, rijd een stuk op de stoep.
- Het kind roept wat er niet klopt.
- Tel hoeveel fouten hij gespot heeft en zeg dat aantal aan het eind hardop.
Wat er misgaat
- Het kind ziet niets. Maak de fouten groter en duidelijker.
- Hij gaat de fouten nadoen. Zeg erbij dat dit een spel is en dat jij zo niet rijdt als het spel voorbij is.
- Hij vindt alles fout, ook wat goed gaat. Vraag dan door: wat had ik moeten doen?
Oefenkaarten, vel 4 van 4 — A4 staand, vier kaarten
Bordenbingo
- Print het kaartje en geef het mee, of stop het in je jaszak.
- Elk bord dat hij ziet, kruist hij af.
- Vol kaartje is de sticker voor deze oefening.
Wat er misgaat
- Het kind rijdt met het kaartje in zijn hand. Kruis af als jullie stilstaan.
- Op jullie route staan een paar van de borden niet. Doe het kaartje dan in twee ritten, of neem één keer een andere weg terug.
Stoepkrijtdorp
- Teken een wegennet met twee kruispunten, een zebrapad en haaientanden.
- Loop het eerst samen af, te voet.
- Daarna fietsen jullie het.
- Wissel dan de rollen: één kind is de auto, één is de fiets.
Wat er misgaat
- Het dorp wordt te groot om af te maken. Twee kruispunten is genoeg.
- Het tekenen duurt langer dan het spelen. Teken alvast een deel voordat het kind buiten komt.
- Er is maar één kind. Neem dan zelf de rol van de auto.
De vaste route
- Kies één korte route. Naar school, naar de speeltuin, om het blok.
- Rijd hem steeds op dezelfde manier, met jou achter het kind.
- Herhaal tot tien keer. Verander niets aan de route.
- Streep elke rit af op de oefenkalender.
Wat er misgaat
- De verleiding om af te wisselen. Doe dat niet; de herhaling is de oefening.
- Het kind vindt het saai. Dat is een teken dat de route zit; wissel dan pas.
- De route heeft één lastig punt dat elke keer misgaat. Oefen dat punt apart, lopend.
Zo werkt het
- Print diploma A en hang het op de koelkast.
- Doe twee keer per week één oefening van een kwartier.
- Plak na afloop een sticker in de cirkel, of kleur hem in met een stift.
- Vijf stickers vol is het diploma gehaald. Handtekening eronder.
- Daarna diploma B. Diploma C gaat pas de straat op.