Fietsdiploma → Printen
De printerij
Alles hier is ontworpen voor een gewone thuisprinter: lijnwerk op wit, geen kleurvlakken, en het werkt net zo goed in zwart-wit.
De naam verschijnt op alle vellen hieronder en gaat mee de printer in. Er wordt niets opgeslagen: ververs de pagina en het veld is weer leeg.
Of print er één
- Diploma A — De fiets de baas A4 staand · Vijf stickerplekken, naamveld, datum en handtekeningregel.
- Diploma B — Kijken en luisteren A4 staand · Vijf stickerplekken, naamveld, datum en handtekeningregel.
- Diploma C — Mee in het verkeer A4 staand · Vijf stickerplekken, naamveld, datum en handtekeningregel.
- Oefenkalender A4 liggend · Twaalf weken, twee sessies per week. 24 vakjes om af te tekenen.
- Oefenkaarten A4, 4 kaarten per vel · Alle vijftien oefeningen op kaartformaat, met snijlijnen.
- Bordenbingo A5, twee kaarten op één A4 · Zes borden om onderweg af te kruisen. Twee identieke kaarten per vel.
- Stoepkrijtdorp A4 staand · Voorbeeldplattegrond van wat je op de oprit tekent.
Printerinstellingen
- Schaal op 100%, niet op ‘passend maken’.
- Marges op ‘geen’ of ‘standaard’; de vellen houden zelf 12 mm rand vrij.
- Zwart-wit mag. Alle informatie staat in zwart; kleur is versiering.
- De oefenkalender is liggend. De rest is staand.
Hieronder zie je precies wat er uit de printer komt, op ware verhouding.
Diploma A — A4 staand, één vel
vijf oefeningen
De fiets de baas
Sturen en remmen gaan vanzelf, zodat er hoofdruimte overblijft voor de omgeving.
- SlakkenraceLangzaamste over tien meter wint. Voet aan de grond is af.
- Stoppen op de streepVoorwiel exact op de lijn. Doseren in plaats van paniekremmen.
- AchtjesAchten rijden om twee pionnen. Elke ronde dichter bij elkaar.
- Nauwe doorgangTwee lijnen op de grond. Elke ronde smaller.
- Rechte lijnLangs een stoeprand of belijning rijden zonder slingeren.
Eén afgeronde oefening is één sticker. Ronde beloningsstickers tot 25 mm passen precies. Geen stickers in huis? Kleur de cirkel in met een stift — dat telt net zo hard.
Diploma B — A4 staand, één vel
vijf oefeningen
Kijken en luisteren
Stoppen op commando wordt een reflex in plaats van een beslissing.
- Het vingerspelJij steekt vingers op achter hem. Hij kijkt om en roept het aantal.
- Valse commando'sAlleen stoppen bij ‘stop’. Jij roept ook stok, stoep en sok.
- StoplichtspelWachten, gaan, langzaam. De woorden die je buiten ook echt gebruikt.
- High fiveKind slaat in het voorbijgaan jouw hand. Daarna de andere hand.
- WasknijperKnijper van de ene pion pakken, op de volgende afleggen. Al rijdend.
Eén afgeronde oefening is één sticker. Ronde beloningsstickers tot 25 mm passen precies. Geen stickers in huis? Kleur de cirkel in met een stift — dat telt net zo hard.
Diploma C — A4 staand, één vel
vijf oefeningen
Mee in het verkeer
Eén vaste route, eindeloos herhaald, met de ouder erachter.
- Kan het?Bij elk kruispunt vraagt het kind hardop "kan het?". Jij beslist.
- Papa doet het foutJij maakt expres fouten. Het kind moet ze spotten.
- BordenbingoZes borden zoeken onderweg, met het geprinte kaartje.
- StoepkrijtdorpTeken een wegennet op de oprit. Eerst lopen, dan fietsen, dan rollen wisselen.
- De vaste routeEén korte route, steeds dezelfde. Tien keer rijden.
Eén afgeronde oefening is één sticker. Ronde beloningsstickers tot 25 mm passen precies. Geen stickers in huis? Kleur de cirkel in met een stift — dat telt net zo hard.
Oefenkalender — A4 liggend, één vel
12 weken, 2 sessies per week
Twee keer per week een kwartier is genoeg. Zet de datum in het vakje en kruis het af, of plak er een sticker in. Een lege week is geen probleem: ga verder waar je gebleven bent.
Oefenkaarten, vel 1 van 4 — A4 staand, vier kaarten
Slakkenrace
- Leg een start en een finish neer, ongeveer tien meter uit elkaar.
- Rijd samen naar de finish. Wie er als laatste is zonder voet aan de grond, wint.
- Doe drie of vier rondes. Ga zelf ook een keer af.
Wat er misgaat
- Het kind gaat slingeren om langzaam te blijven. Dat mag. Sturen is precies wat hier getraind wordt.
- Direct een voet aan de grond bij elke poging. Maak de afstand korter, vijf meter is genoeg om mee te beginnen.
- Winnen wordt belangrijker dan langzaam rijden. Doe zelf mee, dan blijft het een spel.
Stoppen op de streep
- Trek een dikke streep over het pad.
- Het kind rijdt erop af en stopt met het voorwiel op de lijn.
- Lukt dat, laat hem dan iets harder aanrijden.
- Trek daarna een tweede streep verderop, zodat er twee stops achter elkaar komen.
Wat er misgaat
- Het kind schiet elke keer over de lijn. Laat hem langzamer aanrijden en eerder beginnen met knijpen.
- Het wiel blokkeert en glijdt door. Dan is er te laat en te hard geknepen; zelfde oplossing.
- Het kind zet zijn voet neer zodra hij stilstaat. Dat is geen fout, daar gaat deze oefening niet over.
Achtjes
- Zet de pionnen ver uit elkaar, ongeveer vijf grote stappen.
- Het kind rijdt een acht: om de ene pion heen, dan om de andere.
- Na een paar geslaagde rondes zet je de pionnen een stap dichter bij elkaar.
- Stop bij de afstand die net lukt.
Wat er misgaat
- Meteen te krap begonnen. Zet ze verder uit elkaar dan je denkt dat nodig is.
- Het kind rijdt alleen rondjes één kant op. Wijs de tweede bocht aan; daar zit de oefening.
- Eén kant gaat veel slechter dan de andere. Dat is normaal en gaat vanzelf weg.
Nauwe doorgang
- Trek twee lijnen van een paar meter lang, ongeveer een meter uit elkaar.
- Het kind rijdt ertussendoor zonder de lijnen te raken.
- Na elke geslaagde ronde teken je één lijn een handbreedte naar binnen.
- Stop bij de breedte die net lukt, en eindig met een ronde die zeker lukt.
Wat er misgaat
- Het kind kijkt naar de lijnen en stuurt er dan naartoe. Laat hem naar het eind van de doorgang kijken.
- De doorgang wordt te snel te smal. Eén handbreedte per keer is genoeg.
- Het krijt is niet te zien op donkere klinkers. Leg dan twee jassen of takken neer.
Oefenkaarten, vel 2 van 4 — A4 staand, vier kaarten
Rechte lijn
- Zoek een lange rechte lijn op de grond.
- Het kind rijdt er zo dicht mogelijk langs.
- Tel hardop hoeveel meter het lukt en probeer dat aantal te verbeteren.
Wat er misgaat
- Het kind kijkt naar zijn voorwiel en gaat juist slingeren. Laat hem vooruit kijken naar het eind van de lijn.
- Vlak bij de rand rijden lukt niet. Begin op een halve meter afstand en kom later dichterbij.
Het vingerspel
- Stap één, stilstaand. Het kind zit op de fiets, jij staat erachter. Steek vingers op, hij kijkt om en roept het aantal.
- Stap twee, lopend. Hij loopt met de fiets aan de hand, jij loopt erachter. Zelfde spel.
- Stap drie, rijdend. Jij rijdt achter hem. Hij is een punt kwijt als hij gaat slingeren bij het omkijken.
- Ga terug een stap zodra het slingeren begint.
Wat er misgaat
- Het kind stuurt mee met zijn hoofd. Dat is precies waar deze oefening over gaat. Terug naar stilstand.
- Hij raadt in plaats van te kijken. Ga afwisselend links en rechts staan.
- Het lukt weken- of maandenlang niet. Dat hoort erbij. Dit is de zwaarste oefening van het programma.
Valse commando's
- Het kind rijdt rondjes, jij staat stil en roept.
- Begin met een paar echte stops, zodat het commando zit.
- Meng er daarna woorden doorheen die erop lijken: stok, stoep, sok.
- Zeg hardop wat er goed ging, alleen bij de juiste stops.
Wat er misgaat
- Het kind stopt bij elk woord. Doe meer echte stops en bouw de valse woorden langzamer op.
- Het kind rijdt uit onzekerheid heel langzaam. Zelfde oplossing: meer echte stops ertussen.
- Het wordt een lachspel en niemand stopt nog. Sluit af met drie serieuze stops.
Stoplichtspel
- Bedenk vooraf welke drie woorden je onderweg echt gebruikt. Meestal zijn dat wachten, gaan en langzaam.
- Het kind rijdt, jij roept de woorden in willekeurige volgorde.
- Gebruik niet ‘rood’ en ‘groen’. Die woorden geef je onderweg nooit.
Wat er misgaat
- Je valt terug op rood en groen. Dan oefent hij een commando dat je buiten niet gebruikt.
- Je gebruikt de ene keer ‘wacht’ en de andere keer ‘stop’. Kies drie woorden en houd je eraan.
Oefenkaarten, vel 3 van 4 — A4 staand, vier kaarten
High five
- Ga naast het pad staan met één hand uitgestoken.
- Het kind rijdt langs en slaat in, zonder te stoppen.
- Doe daarna hetzelfde met de andere hand.
- Gaan beide handen goed, laat hem dan zelf kiezen welke hand hij gebruikt.
Wat er misgaat
- Het kind stuurt naar je toe. Houd je hand lager en dichter bij zijn lijn.
- Hij stopt om je hand te kunnen slaan. Loop een paar keer mee, dan wordt het vanzelf in het voorbijgaan.
- De tweede hand lukt niet. Laat die een paar weken liggen en pak hem later weer op.
Wasknijper
- Zet de pionnen ongeveer tien meter uit elkaar en klem de knijper op de eerste.
- Het kind rijdt langs, pakt de knijper, rijdt door en klemt hem op de tweede pion.
- Oefen het pakken eerst stilstaand als het rijdend niet lukt.
- Doe daarna dezelfde ronde met de andere hand.
Wat er misgaat
- Het kind stopt om te pakken. Prima in het begin; laat het stoppen er later uit gaan.
- De knijper zit te vast. Klem hem losjes, alleen met het puntje.
- Hij gaat slingeren zodra één hand los is. Terug naar oefening 5, rechte lijn.
Kan het?
- Spreek af dat hij het bij elk kruispunt hardop vraagt.
- Jij antwoordt met je vaste commando uit oefening 8.
- Jij beslist, altijd. Ook als een automobilist gebaart dat jullie mogen.
Wat er misgaat
- Hij vergeet te vragen. Stel de vraag dan zelf hardop, elke keer, tot hij hem overneemt.
- Hij vraagt het en rijdt tegelijk door. Dan is het een woordje geworden, geen vraag; laat hem wachten op je antwoord.
- Een automobilist wuift jullie door en het kind gaat rijden. Dit is precies het moment waar de oefening voor bedoeld is.
Papa doet het fout
- Kondig het spel vooraf aan, zodat hij weet dat jij nu de fouten maakt.
- Rijd door rood, vergeet richting aan te geven, rijd een stuk op de stoep.
- Het kind roept wat er niet klopt.
- Tel hoeveel fouten hij gespot heeft en zeg dat aantal aan het eind hardop.
Wat er misgaat
- Het kind ziet niets. Maak de fouten groter en duidelijker.
- Hij gaat de fouten nadoen. Zeg erbij dat dit een spel is en dat jij zo niet rijdt als het spel voorbij is.
- Hij vindt alles fout, ook wat goed gaat. Vraag dan door: wat had ik moeten doen?
Oefenkaarten, vel 4 van 4 — A4 staand, vier kaarten
Bordenbingo
- Print het kaartje en geef het mee, of stop het in je jaszak.
- Elk bord dat hij ziet, kruist hij af.
- Vol kaartje is de sticker voor deze oefening.
Wat er misgaat
- Het kind rijdt met het kaartje in zijn hand. Kruis af als jullie stilstaan.
- Op jullie route staan een paar van de borden niet. Doe het kaartje dan in twee ritten, of neem één keer een andere weg terug.
Stoepkrijtdorp
- Teken een wegennet met twee kruispunten, een zebrapad en haaientanden.
- Loop het eerst samen af, te voet.
- Daarna fietsen jullie het.
- Wissel dan de rollen: één kind is de auto, één is de fiets.
Wat er misgaat
- Het dorp wordt te groot om af te maken. Twee kruispunten is genoeg.
- Het tekenen duurt langer dan het spelen. Teken alvast een deel voordat het kind buiten komt.
- Er is maar één kind. Neem dan zelf de rol van de auto.
De vaste route
- Kies één korte route. Naar school, naar de speeltuin, om het blok.
- Rijd hem steeds op dezelfde manier, met jou achter het kind.
- Herhaal tot tien keer. Verander niets aan de route.
- Streep elke rit af op de oefenkalender.
Wat er misgaat
- De verleiding om af te wisselen. Doe dat niet; de herhaling is de oefening.
- Het kind vindt het saai. Dat is een teken dat de route zit; wissel dan pas.
- De route heeft één lastig punt dat elke keer misgaat. Oefen dat punt apart, lopend.
Zo werkt het
- Print diploma A en hang het op de koelkast.
- Doe twee keer per week één oefening van een kwartier.
- Plak na afloop een sticker in de cirkel, of kleur hem in met een stift.
- Vijf stickers vol is het diploma gehaald. Handtekening eronder.
- Daarna diploma B. Diploma C gaat pas de straat op.
Bordenbingo — A5, twee identieke kaarten op één A4. Knip langs de stippellijn.
Vol kaartje is de sticker voor oefening 13. heypapa.nl/fietsdiploma
Vol kaartje is de sticker voor oefening 13. heypapa.nl/fietsdiploma
Stoepkrijtdorp — A4 staand, één vel
Stoepkrijtdorp
Stoepkrijtdorp
Een voorbeeld van wat je op de oprit tekent. De maten zijn niet heilig: één weg is ongeveer twee grote stappen breed, zodat er een fiets en een ‘auto’ naast elkaar passen.
1. Teken het wegennet met stoepkrijt. Twee kruispunten is genoeg — groter maak je niet af.
2. Loop het eerst samen af, te voet. Praat de kruispunten door.
3. Daarna fietsen jullie het, in beide richtingen.
4. Wissel de rollen: één kind is de auto, één is de fiets. Ben je met één kind, wees dan zelf de auto.